| Artikelen INOGproblematiek |
|
Gesprek tussen kleindochter en Indische opa over het Japanse concentratiekamp Waarom moesten jullie het Jappenkamp in? Wij moesten onze nationaliteit bekend maken bij het Japanse bureau, want de bezetters wilden uitzoeken of je van Europese of Aziatische afkomst was. Europeanen moesten het kamp in. Dat waren hun vijanden. Aziaten mochten buiten het kamp blijven. Mijn vader had een Zweedse moeder en een Nederlandse vader. Mijn moeder had een Portugese vader en een Javaanse moeder. De Jappanners geloofden dat niet en dachten dat wij grapjes maakten. We kregen klappen in ons gezicht. Ik was toen 11 jaar oud. Dit was onze eerste kennismaking met de Japanse methode. Ze wisten ons niet in te delen door al die verschillende nationaliteiten. We werden daarom gemakshalve het concentratiekamp ingestuurd. Hoe oud was je, opa, toen je het Jappenkamp in werd gestuurd? Mijn vader en mijn twee broers werden geïnterneerd na de capitulatie van Ned-Indië. Mijn moeder, mijn twee zusters en ik waren nog even vrij, maar kort daarop werden we in een burgerkamp gestopt in Batavia. Ik was 11 jaar. Op m'n 12de jaar was ik volgens Japanse begrippen een man geworden en moest ik weg van mijn moeder en zussen. Ik werd naar het jongenskamp in Tjimahi getransporteerd. Dat was een onderdeel van het mannenkamp. En dus kwam ik zonder familie met andere jongens alleen in een nieuw kamp zowel met vrienden als met vijanden. Je was dus best wel alleen zonder familie. Hoe was dat voor jou, opa? In het eerste ogenblik voelde ik me verlaten. Het was een vreemde wereld om alleen met jongens te zijn. Gelukkig waren wij nog vrienden en vonden we troost bij elkaar. Zo konden we het leed een beetje verzachten. Door de slechte omstandigheden werden sommige vrienden echter vijanden. Hoe zag een dag in het jongenskamp eruit? 's Morgens om 5 uur werd er bij het appèl bepaald welk corvee we moesten verrichten - in of buiten het kamp. We kregn dan een beetje te eten en te drinken. Daarna gingen we het corvee doen. In de middag kregen we een korte eetpauze. Na de eetpauze werd het werk hervat. Om 17 uur konden we terugkeren naar het kamp. Na het avondappèl kregen we weer een beetje te eten. En hierna moesten we in onze behuizing gaan slapen. 's Nachts mocht niemand naar buiten tot het ochtendappèl. Zo ging dat dagen achtereen tot aan de bevrijding op 15 augustus 1945. Het kampleven was heel eentonig. Wat voor werk moest je dan doen? Hert gewongen corvee bestond uit het verrichten van arbeid in de tuinen rondom het kamp, de planten rupsvrij maken, de beerputten en de sloten schoonmaken en de poep uit de beerput verspreiden over de tuinen als bemesting voor de planten. Als je geluk had dan mocht je het vee voeren. Dan kon je stiekem stukjes voederkoeken eten of in de keuken werken. Dat was nog het mooiste werk. Verder moesten we het kampterrein schoonhouden, vliegen en luizen vangen en alle grassprietjes verwijderen. Wat kreeg je te eten en te drinken op een dag? 's Morgens kreeg je een mok thee en een klein sneetje brood. 's Middags kregen we een mok thee, soms een beetje soep en een sneetje brood. 's Avonds na het appèl kregen we 100 gram rijst. Het was niet veel en op den duur raakten we allemaal zwaar ondervoed. Je eten en drinken moest je goed beschermen, want als je niet oplette, werd het vaak gestolen. Dat was niet fijn, want daarop volgde steevast een vechtpartij. Om je eten weer terug te krijgen moest je namelijk vaak vechten. Ik heb toen leren boksen van een man, die zei: " Vecht om in het kamp te overleven. Daar gaat het om. Ook al win je van niemand, anderen hebben wel begrepen dat er niet met je te spotten valt." Hoe was het regime in het kamp in Tjimahi? Het was een streng regime. Er waren hele strenge regels waar je je aan moest houden en anders werd je meteen gestraft. De straffen waren heel wreed, gevoelloos en bruut. Dat kwam omdat de Japanse cultuur zelf heel wreed en hard is voor hun eigen mensen. Wat voor soort straffen waren er dan, opa? We moesten bijvoorbeeld de hele dag op dezelfde plek in de hete tropenzon staan zonder water en eten. We kregen een afranseling met een bamboestok of een zweep, die vooraf in zout water werd geweekt. dat was een bullepees. Je kon aan je armen achter je rug opgehangen worden of we werden tegenover elkaar gezet en moesten elkaar heel hard in het gezicht slaan. Te erg om te vertellen allemaal. Daarom laat ik het hierbij. Hoe hield je jezelf in leven met zo weinig eten en drinken? Bij het tuinieren in en buiten het kamp heb ik heel veel rupsen, krekels en sprinkhanen gegeten. Ook at ik stiekem rauwe groenten en stukjes veekoeken tijdens het voeren van het vee. Als ik stiekem eten nam moest ik wel oppassen dat het niet ontekt werd. Dan werd je afgeranseld met een bamboestok of bullepees. Heb je je wel eens gelukkig gevoeld daar? Ik heb me wel eens gelukkig gevoeld dat ik tenminste nog leefde. En er waren warme vriendschappen. Wat heb je van het concentratiekamp geleerd? Ik ben heel assertief geworden. Ik heb het leven geaccepteerd zoals het was en dat doe ik nu nog. Je hebt goede tijden en je hebt slechte tijden. Het leven is geen aaneenschakeling van geluk, maar het is een afwisseling van ups en downs. Als je dat kunt aanvaarden, dan ben je een gelukkig mens. Verder ben ik heel erg tegen weggooien van eten. Ik respecteer eten. Om te overleven in het kamp in Ned-Indië moest je ook veel aan je hygiëne denken. Dus ik ben altijd heel netjes en schoon. Ik heb ook geleerd zo min mogelijk op te vallen. En dat verzet zinloos is. Hebben je ouders, broers en zussen het allemaal overleefd? Mijn oudste broer is in Japan overleden, omdat hij heel zwaar moest werken in de kolenmijnen. Hij kreeg ook heel slechte voeding. Hij is aan longontsteking overleden. Sommige vrienden zijn overleden en anderen hebben het weer overleefd. Een aantal fragmenten uit 'Oorlogspatronen' Verhalenbundel ' Als ik later groot ben wil ik kind worden' Toen ik als 12-jarige Indische jongen vanuit het vrouwenkamp naar het jongenskamp ging heb ik mijn fortuin ' moeten achterlaten. In een klein stalen koffertje mocht ik slechts een broek, twee hemden, wat ondergoed en een paar klompschoeoen meenemen. Een slaapmat, een moltondeken en een zelfgenaaide plunjezak van beddenlakens, waarin mijn moeder wat etenswaar had gedaan, completeerden toen mijn hele bezit. Wij jongens mochten de vrouwen helpen - hun schamele bezit op wagens gestouwd - hen naar het station te brengen. Op het perron in Cimahi scheidden toen onze wegen. Mijn moeder en zusters werden op transport gezet naar een Vrouwenkamp elders op Java. Ons gezin zat vanaf dat moment her en der verspreidt in één van de vele nog onbekende concentratiekampen, verspreid over 'de gordel van smaragd'. Al vroeg volwassen Vreemd genoeg was het afscheid een soort van opluchting geweest; nu kon ik als jongeman mijn eigen weg volgen, niet meer onder de verantwoordelijkheid van mijn moeder en de soms hinderlijke bezorgdheid om mij. Aan de andere kant voelde ik me in de steek gelaten, niet door mijn moeder, maar doordat de veilige familieband wegviel. Nu was ik echter alleen in een omgeving van jongens, die allen ongeveer dezelfde leeftijd hadden. Een bizarre wereld van gelijksoortige jonge mannen met een onzekere toekomst, die er niet voorspelbaar noch betrouwbaar uitzag. Het verloren vertrouwen In het begin kwamen er nog meer jongens bij, afkomstig uit andere vrouwenkampen. Er heerste een gezagsvacuüm in de jongensgemeenschap, waarin af en toe vechtpartijen uitbarstten. Wie de sterkste was had de leiding en om zo'n sterfiguur verzamelden zich jongens, die dan weer streken in opdracht uithaalden. Dat was nou niet bepaald plezierig. Onderdrukking onder de onderdrukking van het Japanse regime. Korruptie in de gaarkeuken De voeding was in het begin - het jongenskamp werd ingericht tot een burgerkamp van jongens en mannen - heel slecht en onregelmatig. De gaarkeuken was toen in handen van een groep korruptelingen, die zelf bepaalden wat en hoeveel voedsel werd gedistribueerd. Wij besloten toen als jongens gezamenlijk te protesteren. Het was onderling met een aantal jongens afgesproken om bij het avondappèl een klacht in te dienen. Als de kampkommandant vroeg of wij nog iets te melden hadden dan zouden wij een stap naar voren doen en de boodschap mededelen. Toen het grote moment was aangebroken - ik stond voor in de rij - was ik de eerste die naïf een stap voorwaarts maakte. De overige jongens bleven op hun plaats staan. De uitkomst van deze eenmansactie laat zich gemakkelijk raden; een flinke afranseling was de beloning voor mijn vertrouwen in mijn kampgenoten. Er waren kampgenoten, die bleven stelen om zelf in leven te blijven. Er waren er, die organiseerden bij het leven en die daardoor anderen benadeelden. Weer anderen spaarden voedsel uit eigen mond om nog slechtere tijden te doorstaan. Sommigen moesten hun spaarzin boeten met zware ondervoeding of zelfs met de hongerdood. Onder hun slaapplaats lag dan verstopt in een kussensloop het gedroogde voedsel dat dan door anderen werd geconsumeerd. Boksles Toen er meer oudere mannen werden aangevoerd was er het de eerste dagen nou niet bepaald veiliger op geworden. Soms werd het eten zomaar weggepakt, suiker en zout afgenomen door sommige grotere, oudere mannen, die je een pak ransel verkochten als je protesteerde tegen hun dievengedrag. Gelukkig duurde deze toestand niet zo lang. Na de benoeming van een kamphoofd werd de kampgemeenschap gestructureerd. Aan een groep van zo'n 24 jongens werd een oudere man toegevoegd. Hij moest regelend optreden en erop toezien dat alles goed verliep, maar hij was niet de baas over ons. Van hem kreeg ik de raad eens wat boksen te leren, waardoor ik mij in een bepaalde hachelijke situatie kon verdedigen en niet meer zo bang hoefde te zijn in geval er gevochten mocht worden. Hij zei: " Ik kan je niet garanderen dat je zult winnen. In ieder geval ben je een tegenstander geworden en ook niet meer zo gemakkelijk te intimideren." Zijn raad had veel sukses. Ik had niet langer meer last van jongens of mannen, die van zins waren mij iets af te pakken. Sommigen kon ik door mijn niet meer bange houding gemakkelijker te baas door een grote mond op te zetten. Bovendien, en dat vond ik achteraf eigenlijk veel belangrijker; ik had zelfvertrouwen gekregen! Bijvoeding vergaren Door mijn handigheid was ik in staat verschillende klusjes te doen na beëindiging van mijn verplichte dagelijkse corvee. Ik verstelde de versleten schamele kleding, haalde garen uit stukjes lap, maakte en repareerde houten klompen en haalde wandberen uit matrassen voor vaak oudere mannen. Voor deze dienstverlening kreeg ik kleine beloningen in natura, zoals een schepje suiker of zout, een kwart sneetje brood of brandhout. Allemaal waardevolle spullen om beter in leven te kunnen blijven. Daarnaast vingen wij sprinkhanen en krekels om te roosteren, kikkers en vogels om soep van te maken om zodoende aan dierlijke eiwitten te komen om hongeroedeem te voorkomen of andere nare verschijnselen ten gevolge van ondervoeding. Deze wijze van bijvoeding is voor mij goed geweest. Naastenliefde Er gebeurden ook wel kleine heldendaden, die op mij veel indruk maakten. Ik stond vooraan in de rij op appèl. Bij het aftellen van de rijen in de blokopstelling gebeurde het soms niet naar de zin van de kampcommandant en dan werd net zolang het tellen herhaald tot het correct verliep of de Jap verloor zijn geduld en begon klappen uit te delen. Ging dan zo de rijen verder af om diegene onder handen te nemen, die hem zo op het eerste gezicht niet beviel. Op zo'n dag en bij een soortgelijke situatie werd ik door een man, die achter mij stond bij de schouders gepakt en snel verwisseld van plaats, zodat hij voor in de rij stond en ik achter hem. Ik ontliep daardoor een pak slaag. De verhalenbundel is een uitgave van de Vereniging " Kinderen uit de Japanse bezetting er de Bersiap 1941 - 1949 "
|